Op 5 juni vorig jaar is na een jarenlange discussie een principeakkoord pensioenhervormingen gesloten.
Nu iets meer dan een jaar later is het definitieve pensioenakkoord gesloten en uiteindelijk (na een uitstel voor het FNV Ledenparlement van 14 dagen) naar de Tweede Kamer gestuurd en daar besproken en aangenomen voor verdere wetgeving.
Het kabinet wil de aanpassing van de relevante wetgeving (o.a. de Pensioenwet) op 1 januari 2022 hebben afgerond en de invoering van het nieuwe stelsel moet uiterlijk op 1 januari 2026 een feit zijn.
In dit artikel gaat de Pensioencommissie in op de hoofdlijnen van het akkoord, waarbij de eerste 6 punten afkomstig zijn uit het voorlopige pensioenakkoord van 2019 en aangeven wordt wat er in het definitieve akkoord is afgesproken resp. gerealiseerd.

1. De AOW-leeftijd wordt de komende twee jaar bevroren en stijgt daarna minder snel.
De afspraak die vorig jaar was gemaakt en al door zowel de Tweede, als de Eerste Kamer was goedgekeurd, vormde een integraal onderdeel van het hele pakket. De AOW-leeftijd is in het akkoord voor de jaren 2020 en 2021 vastgezet op 66 jaar en vier maanden. Daarna stijgt de AOW-leeftijd door naar 67 jaar in 2024. Vanaf dan gaat met elk jaar stijging van de levensverwachting de AOW-leeftijd met 8 maanden omhoog.

2. Onderzoek stoppen met werken na 45 dienstjaren.
Sociale partners en het kabinet gaan onderzoeken of het mogelijk is om het moment van uittreden onder voorwaarden te koppelen aan het aantal dienstjaren, bijvoorbeeld 45.
Dit onderzoek is in 2019 gestart, waarbij o.a. mogelijke contouren en verschillende scenario’s voor een 45 dienstjarenregeling in beeld gebracht en onderzocht worden op de gevolgen voor o.a. de arbeidsparticipatie en inkomensverdeling en de houdbaarheid van de overheidsfinanciën Het onderzoek zal naar verwachting eind 2020 worden afgerond, waarna het kabinet e.e.a. zo spoedig mogelijk met sociale partners zal bespreken.

3. Mensen met zwaar werk kunnen eerder stoppen.
Ook is er in het akkoord afgesproken dat het voor de laagst betaalde beroepen (vaak zijn dit de zware beroepen), aantrekkelijker wordt gemaakt om drie jaar eerder met pensioen te gaan. Hiervoor is afgesproken dat als het bedrijf met de vakbonden een Regeling Vervoegd Uittreden (RVU) in de cao heeft opgenomen de werkgever over de eerste € 21.200 per jaar geen boete hoeft te betalen en de werknemer kan de regeling aanvullen met deeltijdpensioen en gespaard verlof. De verdere afspraken moeten aan de cao-tafel worden gemaakt en gelden voor regelingen, die ingaan tussen 2021 en 2025. De overheid draagt € 1 miljard bij aan de regeling.

4. Pensioenfondsen met een dekkingsgraad boven de 90 % hoeven niet te korten.
Nadat vorig jaar de grens voor het korten was vastgelegd op 100% zijn door de ontwikkelingen van de economie en COIVID-19 de dekkingsgraden bij alle fondsen verder gedaald. In het nu gesloten akkoord is afgesproken dat pensioenfondsen, die eind dit jaar een dekkingsgraad hoger dan 90% hebben, niet hoeven te korten.
Er zijn geen afspraken gemaakt over eventuele kortingen voor de jaren tussen 2022 en 2026. Er is afgesproken dat “bij de indiening van het wetsvoorstel in overleg met de relevante partijen een “ingroeipad” naar het nieuwe stelsel zal worden vastgelegd”.

5. De doorsneepremie-systematiek wordt afgeschaft.
De doorsneesystematiek die pensioenfondsen hanteren (gelijk premiepercentage, gelijke jaarlijkse pensioenopbouw ongeacht de leeftijd) wordt afgeschaft. Dit is ook het uitgangspunt van het definitieve akkoord. In punt 7 wordt dat verder uitgewerkt.

6. Er komt geen pensioenplicht voor zzp’ers, wel een verplichte Arbeidsongeschiktheids- verzekering.
Er komt geen verplicht pensioen voor zzp'ers. Wel kunnen ze makkelijker deelnemen aan een pensioenregeling. Dat was vorig jaar het uitgangspunt. Wat is er in het uiteindelijke akkoord uitgekomen?

In het definitieve pensioenakkoord is afgesproken dat sociale partners gezamenlijk met zelfstandigenorganisaties in sectoren onderzoeken of en hoe zij de mogelijkheden van een verplichtstelling en/of variabele inleg kunnen realiseren. De Stichting van de Arbeid heeft laten weten dat sociale partners hiermee gaan starten en naar verwachting voor het einde van dit jaar hun bevindingen opleveren. Op basis van de uitwerking van het pensioenakkoord en de analyse die aan de Stichting van de Arbeid wordt gevraagd over de pensioenopbouw van zelfstandigen, kan in de loop van 2021 met de Stichting van de Arbeid worden besproken welke nieuwe mogelijkheden er in het nieuwe pensioenstelsel zullen komen voor het vrijwillig aansluiten van ZZP’ers c.q. welke aanvullende analyses en stappen er nodig zijn

Zzp'ers krijgen wel te maken met een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering. Alleen als ze zelf voldoende middelen hebben voor een inkomen bij ziekte, geldt de verplichting niet.

De Stichting van de Arbeid is begin maart van dit jaar met een advies gekomen. Het kabinet heeft de adviezen van dit rapport overgenomen en voorgelegd aan o.a. het UWV en de Belastingdienst. Die hebben de nodige kritiek op de uitvoerbaarheid ervan. Er is afgesproken dat samen met sociale partners, UWV, de Belastingdienst en het Verbond van Verzekeraars, en met betrokkenheid van zelfstandigenorganisaties, de komende tijd uitgewerkt zal worden hoe het voorstel van de Stichting voor een verzekeringsplicht op een uitvoerbare, betaalbare en uitlegbare wijze kan worden ingericht.

Die uitwerking wordt voor het eind van dit jaar verwacht en het kabinet denkt begin 2021 de uitwerking klaar te hebben. Dan moet e.e.a. nog langs de beide kamers en in wetgeving worden gegoten. Ook hier is dus nog geen sprake van een wijziging op korte termijn.

7. Kenmerken van het nieuwe pensioenstelsel.
Doelstelling van het nieuwe stelsel is dat werkenden in 42 jaar tijd een pensioen (AOW plus bedrijfspensioen) moeten kunnen opbouwen dat neerkomt op 80% van het gemiddeld genoten loon tijdens die 42 jaar.

Het nieuwe pensioenstelsel heeft inmiddels op 14 juli jl. een eerste behandeling gehad in de Tweede Kamer, vervolgens moeten er aanpassingen in de verschillende wetten (vooral de Pensioenwet) en regelgeving worden doorgevoerd wat naar verwachting op zijn vroegst op 1 januari 2022 zijn beslag zal krijgen. Dan volgt de overgang naar het nieuwe stelsel dat uiterlijk op 1 januari 2026 afgerond moeten zijn.

Het nieuwe pensioenstelsel bevat de volgende elementen:

a. Alle werknemers krijgen in het nieuwe pensioenstelsel een zogeheten premieregeling.

De ingelegde premie en het beleggingsrendement daarop bepalen wat voor pensioen een werknemer mag verwachten.

b. Er komen twee soorten pensioenregelingen.

  • In de eerste plaats 'Het Nieuwe Contract' waar zoveel over te doen is geweest. Dit heeft de voorkeur van de vakbonden, omdat het meer solidair zou zijn en 'pech- en geluk generaties' voorkomt. Daar blijft de pensioenpot 'één collectief', maar krijgen deelnemers wel allemaal hun eigen aandeel daarin.
  • De tweede optie is de wet verbeterde premieregeling, waar alle deelnemers een eigen pensioenpot hebben.
  • Beide soorten werken met een zgn. projectierendement: premie en uitkering worden bepaald op basis van o.a. verwachte rendementen. Er zijn nog meer factoren die hierbij worden betrokken, maar de uitleg daarvan zou voor het merendeel van de lezers meer vragen oproepen dan antwoorden geven. Het projectierendement moet bij de invoering van het stelsel vooraf worden vastgesteld. Zie ook onder punt d.

In 2026 moet iedereen zijn keus hebben gemaakt en klaar zijn met de invoering.

c. Pensioenfondsen die kiezen voor Het Nieuwe Contract moeten ook een solidariteitsreserve aanhouden.
In slechte jaren kunnen tegenvallers verder worden gedempt door pensioenen uit deze reserve aan te vullen. Dat gebeurt 'volgens duidelijke en evenwichtige spelregels’ Deze regels zijn nog niet verder ingevuld.

Bij de start is deze reservepot nog leeg. De fondsen vullen de pot met maximaal 10% van de premie die jaarlijks binnenkomt en eventueel een stukje rendement. Volgens vakbond FNV kan de reserve groeien tot 15% van het fondsvermogen.

d. De pensioenpremie wordt 'stabieler en beter voorspelbaar.
Een grote wens van werkgevers: die willen weten waar zij aan toe zijn en hebben genoeg van de al maar stijgende premie. Alle deelnemers krijgen een vlakke premie: onafhankelijk van leeftijd betaalt iedereen hetzelfde premiepercentage. Daar zit wel een plafond aan maar hoe hoog dat is nog onduidelijk. De vakbond FNV noemt een percentage van 33%. Dit percentage is gebaseerd op een projectierendement van 1,5%.

e. De doorsneesystematiek verdwijnt.
Jongeren gaan voor hun premie meer pensioen krijgen, ouderen minder. De huidige 35- plussers lopen daardoor naar schatting €60 miljard aan pensioenvermogen mis. De onderhandelaars denken dat de meeste pensioenfondsen dit kunnen oplossen zonder dat er geld bij moet, door de voordelen die Het Nieuwe Contract oplevert. Als dat niet zo is, dan komt er een 'adequate compensatie'.

Bij de bestaande premieregelingen werkt dat niet, daarvoor komt een uitzondering: bestaande contracten kunnen blijven bestaan en voor nieuwe medewerkers die in dienst treden na de invoering van het nieuwe stelsel gelden de nieuwe regels.

f. Er komt een einde aan de rekenrente en de dekkingsgraden: pensioenen gaan meer meebewegen met de financiële markten.

Er hoeven geen grote buffers voor tegenvallers aangehouden te worden voordat zij de pensioenen mogen indexeren. Het nieuwe pensioenstelsel beweegt meer met de economie en de ontwikkeling op de geld- en kapitaalmarkt.

g. Op de datum van je pensionering kun je eenmalig maximaal 10% van je pensioen opnemen.

Dat kan worden besteed aan een eigen gekozen doel. Die opname heeft uiteraard wel gevolgen voor de hoogte van je pensioen daarna.
Dit betekent natuurlijk wel dat er daarna minder pensioen overblijft. Daarom is tevens afgesproken dat hiervoor bepaalde voorwaarden gaan gelden die moeten voorkomen dat mensen te weinig pensioen overhouden. Ingangsdatum voor die keuze wordt naar verwachting 1 januari 2022 en zal dan ook gaan gelden voor pensioenfondsen die nog niet zijn overgegaan op het nieuwe stelsel.

h. Verlof sparen om eerder met pensioen te kunnen gaan.

Vanaf 2021 mogen werknemers bovenwettelijk verlof (alle dagen boven de 20 per jaar) opsparen tot maximaal 100 weken (bijna 2 Jaar) om eerder met pensioen te kunnen gaan. In de cao´s moeten daar nog afspraken over worden gemaakt.

Voorlopige conclusie.

Het is al met al een heel uitgebreid verhaal geworden, en voordat de invoering er is, zal er nog heel wat “gepolderd” moeten worden, en niet alleen op het niveau van regering en parlement, maar ook via diverse maatschappelijke organisaties (bijv. voor ouderen, jongeren) en door verzekeraars en sociale partners op landelijk, maar ook op bedrijf- en bedrijfstakniveau. En wat gaat het voor PFI en CDC-deelnemers betekenen?

Hierover nog een aantal opmerkingen:

  • Er komt een landelijke “transitiecommissie” van werkgevers en werknemers met een onafhankelijk voorzitter. Deze commissie moet als de sociale partners (in bedrijven of sectoren) het niet eens worden over de overstap naar het nieuwe stelsel dan een bindend advies geven.
  • Een spannend onderwerp blijft de compensatie voor 35-plussers die door het wegvallen van de doorsneesystematiek. Ondanks het feit dat het Centraal Plan Bureau en een aantal pensioenfondsen denken dat het bij veel fondsen wel zal lukken om dit “gat” te vullen. Maar kennelijk niet overal.
  • Ook wordt in de stukken niet gesproken hoe de overgang zal gaan als er sprake is van een gesloten fonds zoals het Pensioenfonds ING : in alle stukken wordt uitgegaan van inkomsten uit premie en beleggingen, en dat bij de fondsen sociale partners tot overeenstemming moeten komen.
  • Bij de CDC-pensioenfondsen is wel sprake van betrokkenheid van sociale partners: de zaken rondom pensioen vormen onderdeel van de cao-onderhandelingen.
  • Ook voor wat betreft de zgn. solidariteitsreserve (zie hiervoor punt 7c) zijn er nog best wel wat discussiepunten: er is afgesproken dat maximaal 10% van de premie mag worden gebruikt en het resterende deel uit het beleggingsrendement tot een maximum van 15% van het vermogen van het pensioenfonds.
    De hoogte van deze buffer wordt door de pensioenfondsen bepaald en ook de uitdeling in tijden dat dat nodig mocht blijken. Deze moet volgens de nieuwe pensioenregeling “ evenwichtig, transparant, en vooraf vastgesteld zijn” Er is aan de pensioenfondsen geen ruimte gegeven om achteraf te bepalen dat een bepaalde groep toch iets extra´s verdient. Pensioenfondsen die geen solidariteitsreserve willen kunnen dan kiezen voor de verbeterde premieregeling. Kortom ook hier nog veel om over na te denken en te onderhandelen……

Wilt u zichzelf verder verdiepen in deze materie dan zijn er volop websites beschikbaar, waaronder: www.fnv.nl, www.cnv.nl, www.unie.nl , www.anbo.nl. ,www.pcob.nl,
www.rijksoverheid.nl en htps://www.sprenkelsenverschuren.nl/wpcontent/uploads/SV-Nieuwsbrief-Pensioenfondsen-4-juli-2020.pdf.

Wij blijven als altijd ook in deze nieuwe ontwikkelingen bij de les, en blijven onze invloed en aanwezigheid bij zowel het PFI als de CDC-fondsen waarmaken.

Wim Evers, voorzitter pensioencommissie.

­